• Bestuur
  • Verordeningen Brandbeveiligingsverordening gemeente Helmond 1993

Verordeningen Brandbeveiligingsverordening gemeente Helmond 1993

Documentdatum 06-07-1993
Bestuursorgaan Gemeenteraad
Documentsoort Verordeningen
Samenvatting

BRANDBEVEILIGINGSVERORDENING GEMEENTE HELMOND 1993

Raadsbesluit 6 juli 1993, bijlage 179

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1

Begripsomschrijving

Onder inrichting wordt verstaan een voor mensen toegankelijke ruimtelijk begrensde plaats.

Artikel 1.2

Werkingssfeer

Deze verordening is niet van toepassing op bouwwerken als bedoeld in de Woningwet en

bouwverordening.

HOOFDSTUK 2

BRANDVEILIG GEBRUIK

Paragraaf 1

Vergunning

Artikel 2.1.1

Vergunning gebruik inrichting

1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders een

inrichting in gebruik te hebben of te houden, waarin:

a. meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zullen zijn;

b. bedrijfsmatig de in artikel 2.2.2 bedoelde stoffen zullen worden opgeslagen;

c. aan meer dan tien personen bedrijfsmatig of in het kader van verzorging nachtverblijf zal

worden verschaft;

d. aan personen in het kader van de Wet op de bejaardenoorden huisvesting zal worden

verschaft;

e. aan meer dan tien personen jonger dan twaalf jaar, of aan meer dan tien lichamelijk en/of

geestelijk gehandicapte personen dagverblijf zal worden verschaft.

2. Burgemeester en wethouders kunnen aan de vergunning voorschriften verbinden in het belang

van het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar en het

voorkomen en beperken van ongevallen bij brand.

3. Indien het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op grond van een verandering

van de inzichten en/of verandering van de omstandigheden gelegen buiten de inrichting,

opgetreden na het verlenen van de vergunning, kunnen burgemeester en wethouders aan de

vergunning nieuwe voorschriften verbinden en gestelde voorschriften wijzigen of intrekken.

Artikel 2.1.2

Weigeren vergunning

Een vergunning moet worden geweigerd indien de in de aanvraag vermelde wijze van gebruik van

de inrichting in relatie tot de beoogde gebruiksfunctie niet geacht kan worden een brandveilig gebruik

te zijn en door het stellen van voorschriften geen voldoende brandveilig gebruik kan worden bereikt.

Artikel 2.1.3

Intrekken vergunning

1. Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning intrekken indien:

a. blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van onjuiste of onvolledige gegevens hebben

verleend;

b. blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft voldaan aan een voorschrift van de

vergunning;

c. van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 26 weken na het onherroepelijk

worden van de vergunning; dan wel de datum of periode waarop of waarin een activiteit is

voorzien waan voor de vergunning is verleend, is verstreken zonder dat bedoelde activiteit

heeft plaatsgevonden;

d. van de vergunning gedurende een periode van 26 weken of langer geen gebruik is gemaakt;

Brandbeveiligingsverordening Gemeente Helmond 1993

blz. 1

e.

het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op grond van een verandering van

de inzichten en/of verandering- van de omstandigheden gelegen buiten de inrichting,

opgetreden na het verlenen van de vergunning, en het niet mogelijk blijkt door het stellen of

wijzigen van voorschriften dat belang voldoende te beschermen.

Artikel 2.1.4

Verplicht aanwezige bescheiden

In de inrichting waar de activiteiten plaatsvinden waarop de vergunning betrekking heeft moet de

vergunning aanwezig zijn, en moet op verzoek van degene die is belast met de zorg voor de na-

leving van deze verordening, ter inzage worden gegeven.

Paraqraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en brandgevaar.

Artikel 2.2.1

Gebruikseisen voor inrichtingen

1. Het is verboden een inrichting te gebruiken, indien de wijze van gebruik van de inrichting in

relatie tot de beoogde gebruiksfunctie niet geacht kan worden een brandveilig gebruik te zijn.

Het is verboden een inrichting te gebruiken in strijd met de gebruikseisen zoals die per

onderwerp vermeld staan in de van overeenkomstige toepassing zijnde bijlage 3 bij de

bouwverordening.

Onverminderd het gestelde in het tweede lid, is het verboden een inrichting niet zijnde een

woonschip, uitgezonderd een woonschip waarin sprake is van verminderde zelfredzaamheid

van bewoners in combinatie met permanente aanwezigheid van personeel en begeleiding

van bewoners, te gebruiken in strijd met de gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in de

van overeenkomstige toepassing zijnde bijlage 4.bij de bouwverordening.

Burgemeester en wethouders kunnen het vijfde en zesde lid van artikel 3 van bijlage 3,

buiten toepassing verklaren.

2.

3.

4.

Artikel 2.2.2

Verbod stoffen aanwezig te hebben

1. Het is verboden stoffen als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit brandveiligheid (Stcrt. 1992,

nr. 104), alsmede artikel 11 van de Regeling tot wijziging (Stcrt. 1992, nr. 188) in, op of nabij

een inrichting aanwezig te hebben.

Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:

a. het voorhanden hebben voor huishoudelijke en al het andere niet-bedrijfsmatige gebruik van

de in het eerste lid bedoelde stoffen, indien dit de in bijlage 5 van de bouwverordening

aangegeven maximum hoeveelheden niet overschrijdt;

b. het voorhanden hebben van de in het eerste lid bedoelde stoffen in een inrichting waarvoor

een vergunning overeenkomstig artikel 2.1.1 is verleend;

c. de brandstof in een inrichting tot het bewaren, bezigen of afleveren van vloeibare

brandstoffen, dat voldoet aan de eisen gesteld bij of krachtens de Verordening opslag gas-,

huisbrand- en stookolie;

d. de brandstof in het reservoir bij een verbrandingsmotor;

e. de brandstof in een verlichtings-, een verwarmings- of een ander warmteontwikkelend

toestel.

Bij het bepalen van de hoeveelheden als bedoeld in het tweede lid, onder a. worden de

inhoudsmaten van vaatwerk dat gedeeltelijk is gevuld met een vloeistof als bedoeld in dat lid

volledig meegerekend.

2.

3.

Artikel 2.3.6

Verboden handelingen met stoffen

1. Het is verboden een brandbaar gas of gasmengels uit een vat te doen overstromen in een

ander vat dat niet bestemd of ingericht is om dat gas of gasmengsel te bevatten.

Het is verboden gassen of gas mengsels in drukvaten of in leidingen te verwarmen.

Het is verboden een brandbaar gas te bezigen voor het vullen van speelgoed, hobby- en

sportartikelen, anders dan luchtvaartuigen bedoeld in de Regeling inzake het met bepaalde

luchtvaartuigen opstijgen van en landen op alsmede het inrichten van niet als luchtvaart-

terreinen aangewezen terreinen (Stb. 1988, 511).

Het is verboden een brandbare vloeistof, een brandbaar gas of gasmengsel of een brand-

bare damp te laten wegstromen op zodanige wijze dat daardoor brand kan ontstaan.

2.

3.

4.

Brandbeveiligingsverordening Gemeente Helmond 1993

blz. 2

5.

Het is verboden gloeiende vaste stoffen op te slaan, te vervoeren of weg te gooien op zo-

danige wijze dat daardoor brand ontstaat.

Artikel 2.3.7

Melden van brand en broei

Ieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt, is verplicht dit onmiddellijk aan de brandweer te

melden.

Artikel 2.3.8

Bossen, heidevelden, venen

1. De eigenaar van een naaldhoutbos, een heideveld, een veen of een ander terrein, dat met

brandbare gewassen is begroeid, is verplicht -na een van burgemeester en wethouders

ontvangen aangetekende brief- de voorschriften op te volgen, die burgemeester en wethouders

in die brief geven tot het voorkomen van brand en het beperken van de gevolgen van brand.

2. Onder een in het eerste lid genoemd naaldhoutbos wordt verstaan elke aaneengesloten of

vrijwel aaneengesloten opstand, die voor meer dan de helft bestaat uit naaldhout.

HOOFDSTUK 3

STRAF- OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 3.1

Toezicht op de naleving

Het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze verordening wordt opgedragen aan

ambtenaren van de brandweer en daartoe door burgemeester en wethouders aangewezen

ambtenaren.

Artikel 3.2

Stafbepaling

overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde wordt gestraft met hechtenis van ten

hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

Artikel 3.3

Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning

1. Een aanvraag om gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 26 van de

brandbeveiligingsverordening vastgesteld bij raadsbesluit dal. 3 januari 1989, alsmede enig

beroep, ingesteld tegen een beslissing omtrent een dergelijke aanvraag, wordt afgedaan op

grond van genoemde brandbeveiligingsverordening en alle daarin aangebrachte wijzigingen.

2. Een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 26 van de brandbeveiligingsverordening

vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 3 januari 1989 geldt als gebruiksvergunning als bedoeld in artikel

2.1.1 voorzover deze niet krachtens overgangsrecht van de bouwverordening Helmond 1993

geldt als gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1 van die verordening.

Artikel 3.4

Slotbepaling

1. Deze verordening treedt in werking op de 3e dag na die waarop zij is afgekondigd.

2. Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de brandbeveiligingsverordening,

vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 3 januari 1989 en alle daarin aangebrachte wijzigingen.

3. Deze verordening kan worden aangehaald als: brandbeveiligingsverordening.

TOELICHTING

Alqemeen

De brandbeveiligingsverordening regelt het brandveilig gebruik van Inrichtingen. De werkingssfeer is

in artikel 12 van de Brandweerwet 1985 aangegeven: de brandbeveiligingsverordening is van

toepassing voor zover in hetgeen zij regelt niet is voorzien bij of krachtens de Woningwet of enige

andere wet. Bouwwerken zijn daaronder niet begrepen, omdat regeling van het brandveilig gebruik

daarvan ingevolge de Woningwet 1991 verplicht in de bouwverordening is opgenomen. Als gevolg

hiervan is de brandbeveiligingsverordening ingrijpend gewijzigd. De brandbeveiligingsverordening

kan slechts regelen voor zover niet in de brandveiligheid is voorzien bij of krachtens het bepaalde in

Brandbeveiligingsverordening Gemeente Helmond 1993

blz. 3

andere wettelijke regelingen. Rest derhalve thans die "voor mensen toegankelijke ruimtelijk

begrensde plaatsen", die geen bouwwerk zijn (zie ook de toelichting op artikel 1).

De vergunningsplicht is evenwel pas van toepassing, wanneer aan de criteria, genoemd in artikel

2.1.1 wordt voldaan.

De verordening bevat geen voorschriften over het aanvragen, het voorbereiden en het beslissen op

een verzoek om een vergunning. Die onderwerpen zijn geregeld in de Algemene wet bestuursrecht

(Stb. 1992, 315). De artikelen 4:1 tot en met 4:6 van de Awb zijn op de vergunningaanvraag van

toepassing. De voorschriften hebben onder andere betrekking op: bij wie de aanvraag moet worden

ingediend, welke gegevens tenminste op de aanvraag moeten staan en wanneer de aanvraag in

behandeling kan worden genomen. De artikelen 4:13 tot en met 4:15 van de Awb geven aan binnen

welke termijn een aanvraag om een vergunning moet worden afgewikkeld. De Awb geeft geen vaste

termijn in weken, maar geeft aan dat de aanvraag binnen een redelijke termijn tot een beschikking

moet leiden. Die redelijke termijn is in ieder geval verstreken als niet binnen acht weken na het in

ontvangst nemen van de aanvraag een beslissing is genomen of aan de aanvrager is medegedeeld

binnen welke redelijke termijn hij een beslissing op zijn aanvraag krijgt. Door het hanteren van de

artikelen 4:13 tot en met 4:15 van de Awb kan afhankelijk van de inhoud van de aanvraag

aangegeven worden binnen welke termijn de aanvraag wordt afgehandeld. Derhalve is in de

verordening geen artikel opgenomen dat een vaste termijn voor een vergunningaanvraag

voorschrijft. De Awb is door het parlement vastgesteld en zal naar verwachting tussen 1 juli 1993 en

1 januari 1994 in werking treden. Omdat de tekst van de Awb inmiddels vastligt is het mogelijk de

voorschriften uit de Awb nu reeds te gebruiken.

Het gebruik van de bovengenoemde artikelen van de Awb bij de behandeling van een vergunning-

aanvraag vereist geen afzonderlijk besluit van burgemeester en wethouders.

Bij de eerste vergunningaanvraag op basis van de verordening zal aangegeven moeten worden dat

bij de afwikkeling van de vergunningaanvraag de artikelen 4: 1 tot en met 4:6 en 4: 13 tot en met 4: 15

van de Awb gebruikt worden. Op grond van algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn

burgemeester en wethouders gehouden de daarop volgende aanvragen eveneens met toepassing

van de Awb artikelen te behandelen.

In een bij deze toelichting behorende bijlage is de tekst van de bovenbedoelde artikelen opgenomen.

Artikelsqewiize toelichtinq

Artikel 1.2

Werkingssfeer

De in artikel 1.1 bedoelde "voor mensen toegankelijke ruimtelijk begrensde plaatsen" is een ruime

omschrijving. Bouwwerken vallen daar niet onder, het gebruik hiervan vindt immers regeling in de

bouwverordening. In dit verband ware te denken aan alle "bouwwerken" die op het water drijven en

los met de wal verbonden zijn, zoals hotelboten, opslagschepen en drijvende restaurants. Deze zijn

namelijk geen bouwwerken in de zin van de Woningwet 1991 en vallen derhalve niet onder de

werking van het Bouwbesluit en de bouwverordening. Er bestaat een in dit kader relevante uitspraak

van het Hof Arnhem d.d. 6 juni 1972, NJ 73, 209. Daarin werd uitgemaakt "dat een op het water

drijvend bouwsel niet valt onder het begrip 'gebouw' en evenmin onder de definitie in de

gemeentelijke bouwverordening, omdat het niet in de geest van die verordening met de grond

verbonden is noch steun vindt in of op de grond". Er was hier sprake van het aanmeren middels twee

lijnen aan in de grond geplaatste meerpalen, teneinde afdrijven te voorkomen. Het valt te verwachten

dat bij een "minder losse verbinding" de bouwsels onder de werking van de Woningwet zullen vallen.

Ook allerlei terreinen vallen onder het begrip inrichting, evenals (feest)tenten e.d.

Artikel 2.1.1

Vergunning gebruik bouwwerk

Burgemeester en wethouders kunnen aan de vergunning voorschriften verbinden, zoals

voorschriften met betrekking tot:

Stoffering en versiering;

Uitgangen en vluchtwegen;

Installaties;

Standbouw, podia, kramen e.d.;

Verbrandingsmotoren;

Brandbeveiligingsverordening Gemeente Helmond 1993

blz. 4

Verbod voor open vuur en vuurwerk;

Bewaking en controle;

Ventilatie en werkzaamheden;

Brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende stoffen;

Opstellingsplannen;

Afval;

Doorlopend toezicht;

Brandveiligheidsinstructie en ontruimingsplan uitgaande van de bestaande interne

organisatie;

Het maximaal toelaatbare aantal personen in een ruimte van een inrichting, of in een

inrichting met het oog op de brandveiligheid.

Ook zijn voorschriften van bouwkundige aard denkbaar, aangezien de hier bedoelde bouwsels niet

onder de werking van de Woningwet vallen.

Artikel 2.1.2

Weigeren vergunning

Weigeringsgronden zijn in artikel 2.1.2 niet expliciet genoemd. Toetsingsgrond voor een vergunning

kunnen zijn:

a. voor de constructies - het Bouwbesluit en de bouwverordening;

b. voor het gebruik - de bijlagen van bouwverordening en van de toelichting op de

(model- )bouwverordening 1992. De situaties a en b betreffen uiteraard uitsluitend de

brandveiligheid.

Een andere goede basis voor de beoordeling van de vergunningsplichtige inrichtingen zijn de boeken

die de NBF uitgeeft in de serie "Een brandveilig gebouw.........".

Een nadere omschrijving van de toetsingscriteria is gezien de diversiteit van de inrichtingen (tenten,

hotelboten, kampeerterreinen e.d.) niet mogelijk.

Artikel 2.2.1

Gebruikseisen inrichtingen

Alleen de in artikel 2.1.1 genoemde inrichtingen zijn vergunningsplichtig. In artikel 2.2.1 vindt de

brandveiligheid van niet vergunningplichtige inrichtingen regeling.

Artikel 3.1

Toezicht op de naleving

Burgemeester en wethouders wijzen in verband met de bij de gemeentelijke organisatie verordening

(ex artikel 1 van de Brandweerwet 1985) opgedragen taken in ieder geval de brandweer aan als de

gemeentelijke dienst belast met het toezicht op de naleving van de brandbeveiligingsverordening. In

de toelichting op de (model-)bouwverordening 1992 vermelden wij dat de brandweer de deskundige

dienst is om te adviseren over brandpreventie voorschriften. Tevens kunnen ook andere personen

met de naleving ervan worden belast, zoals bijvoorbeeld van het bouw- en woningtoezicht. Het

verdient in elk geval aanbeveling bij de uitvoering van deze verordening en van andere

verordeningen een c06rdinatie tot stand te brengen. voor de opsporing van (onder meer) de in de

brandbeveiligingsverordening aangegeven strafbare feiten zijn door de staatssecretaris van

Binnenlandse Zaken uitsluitend aangewezen de commandanten en het personeel van gemeentelijke

brandweren in de rang van adjunct-hoofdbrandmeester of hoger. Beschikkingen van de

staatssecretaris van 24 maart 1986, nr. EB 85N4828 (8 tb. 1986,84) en van 5 december 1986, nr.

EB 86N2859 (8 tb. 1986,247).

Artikel 3.2

Strafbepaling

Op grond van het facultatieve karakter van de in artikel 23 van de Brandweerwet 1985 genoemde

strafbepaling is het ook mogelijk dat op overtreding van de regels van de

brandbeveiligingsverordening een lagere hechtenis of geldboete van de eerste of tweede categorie

in de verordening gesteld worden.

Bijlage behorend bij de (model-)brandbeveiligingsverordening.

Tekst van enkele artikelen van de Algemene wet bestuursrecht (8tb. 1992, 315)

Brandbeveiligingsverordening Gemeente Helmond 1993

blz. 5

Artikel 4:1

Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, wordt de aanvraag tot het geven van een

beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen.

Artikel 4:2

1 De aanvraag wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de aanvrager;

b. de dagtekening;

c. een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd.

De aanvrager verschaft voorts de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de

aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

2

Artikel 4:3

1 De aanvrager kan weigeren gegevens en bescheiden te verschaffen voor zover het belang

daarvan voor de beslissing van het bestuursorgaan niet opweegt tegen het belang van de

eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, met inbegrip van de bescherming van

medische en psychologische onderzoeksresultaten, of tegen het belang van de bescherming

van bedrijfs- en fabricagegegevens.

Het eerste lid is niet van toepassing op bij wettelijk voorschrift aangewezen gegevens en

bescheiden waarvan is bepaald dat deze dienen te worden overgelegd.

2

Artikel 4:4

Het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen, kan voor het indienen van

aanvragen en het verstrekken van gegevens een formulier vaststellen, voor zover daarin niet is

voorzien bij wettelijk voorschrift.

Artikel 4:5

1 Indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling

nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor

de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, kan het

bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid

heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.

2. Indien de aanvraag of een van de daarbij behorende gegevens of bescheiden in een vreemde

taal is gesteld en een vertaling daarvan voor de beoordeling van de aanvraag of voor de

voorbereiding van de beschikking noodzakelijk is, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag

niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het

bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag met een vertaling aan te vullen. 3 Een besluit om

de aanvraag niet te behandelen wordt aan de aanvrager bekendgemaakt binnen vier weken

nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

Artikel 4:6

1 Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt

gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te

vermelden.

2 Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het

bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder

verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

Artikel 4:13

1 Een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of,

bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de

aanvraag.

2 De in het eerste lid bedoelde redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer het

bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft

gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in artikel 4:14 heeft gedaan.

Artikel 4:14

Indien, bij het ontbreken van een bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn, een beschikking niet

binnen acht weken kan worden gegeven, stelt het bestuursorgaan de aanvrager daarvan in kennis

Brandbeveiligingsverordening Gemeente Helmond 1993

blz. 6

en noemt het daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden

gezien.

Artikel 4:15

De termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag waarop

het bestuursorgaan krachtens artikel 4:5 de aanvrager uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de

dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

Brandbeveiligingsverordening Gemeente Helmond 1993

blz. 7

Uw Reactie
Uw Reactie